Alone

De liefhebber van het genre van waargebeurde avonturenverhalen in de kou komt aan zijn of haar trekken in deze blog! Een klassieker in dit genre is “Alone: The Classic Polar Adventure” van Richard E. Byrd, te bestellen als e-book. Byrd (1888-1957) was al beroemd van zijn ontdekkingsreizen naar de noord- en zuidpool toen hij in 1934 terugkeerde naar het zuidpoolcontinent. De expeditieleden zouden daar overwinteren in de basis Little America, aan de Antarctische kust. Op één persoon na.

Eén van de doelen van de expeditie was het verzamelen van meteorologische gegevens nabij de zuidpool. De zes maanden durende poolnacht staat op het punt aan te breken. Zo zuidelijk als ze nog kunnen komen met hun sneeuwmobielen, bouwen ze een weerstation en graven ze een kleine hut diep in de ijsmassa van de Barrière, te bereiken via een valluik. In dit Advance Base gaat expeditieleider Byrd zelf overwinteren om het weerstation te bemannen, omdat hij het een te zware taak acht om aan één van zijn mannen over te laten. Het wordt een hels avontuur, een gevecht tegen het eeuwige donker, de verveling, de kou en allerhande technische problemen die moeten worden opgelost. Het eindigt in een psychologisch spel op leven en dood met zijn expeditieteam in Little America via een krakkemikkige radioverbinding. Een aanrader om te lezen! Om de zomer mee door te komen, of op wintertocht op je e-reader mee te nemen.

We hebben één van de meest indrukwekkende scenes uit Alone vertaald in het Nederlands. Byrd maakt een inschattingsfout als hij tijdens een zware sneeuwstorm buiten zijn windmeter gaat inspecteren. Het is donker, het stormt en hij raakt buitengesloten.

De voorzijde van het boek.

Damptentakels kropen omhoog langs de paal van de windmeter toen ik mijn inspectie afrondde. Snel zekerde ik het valluik zoals een zeeman een luik kon vastzetten; wetende dat mijn schip goed afgesloten was, trok ik me terug in de hut om de storm uit te zitten. Diep in de korst van de Barrière kon deze me niet bereiken; de geluiden drongen wel door tot beneden. De storm huilde door de luchtkanalen, schudde aan de kachelpijp tot ik dacht dat hij er in zijn geheel zou worden uitgerukt, sloeg op het dak met voorhamerklappen. Ik voelde de storm door de sneeuwlaag heen zuigen. Een briesje dwaalde door de kamer en de tunnels. De kaarsen flikkerden en doofden. Mijn enige verlichting was de zwakke stormlantaarn.

“Ik had zelfs toen nog geen idee hoe beroerd het was, tot ik omhoogging voor een observatie. Toen ik het valluik wegduwde, werd ik geraakt door een bewegende muur van stuifsneeuw. Het was maar een paar stappen van de ladder naar de weerhut, maar het leek meer dan een kilometer. De lucht kwam op me af in sneeuwstormvlagen; ik worstelde ertegen als ware het een zware branding. Nog nooit had een nacht zo zwart geleken. De straal van de zaklamp werd in zijn keel gesmoord; ik kon mijn hand niet zien voor mijn gezicht.

“Tegen de tijd dat ik weer beneden was, was mijn winddichte kleding ingepakt met stuifsneeuw. Ik had het vage gevoel dat er iets veranderd was in de tijd dat ik weg was geweest, maar ik wist niet wat. Ik merkte wel dat de hut voelbaar kouder was geworden. Toen ik het deksel van de kachel oplichtte, was ik verbaasd dat het vuur was uitgegaan, ondanks dat de tank nog halfvol was. Ik concludeerde dat ik de kraan onbewust uit moest hebben gedraaid voordat ik naar boven was gegaan; maar toen ik een lucifer bij de brander hield, werd de vlam uitgeblazen door de tocht die door de pijp omlaag kwam. De wind moest dus het vuur hebben uitgeblazen. Ik kreeg het weer aan de praat en hield het nauwlettend in de gaten.

Sneeuwmobielen op weg naar Advance Base.

De sneeuwstorm verhevigde tot windkracht acht. Boven het gebrul uit kwam het diepe, strakke trommelgeluid van de scheerlijnen van de radioantenne en de windmeter, wat me deed denken aan wind in het want van een schip. De lijn van de windrichting op het papier werd een rommeltje; ongetwijfeld had stuifsneeuw de elektrische contacten kortgesloten. Ik realiseerde me dat het kansloos was om de contacten schoon te houden en liet het apparaat voor wat het was. Er waren andere manieren om achter de windrichting te komen. Ik bond een zakdoek aan een bamboestok en stak deze door een luchtkanaal; met een zaklamp kon ik opmaken in welke richting het lapje werd opgezweept. Ik deed dat elk uur en noteerde de verandering van richting op het papier. Maar om twee uur ’s nachts had ik genoeg van deze periscoopwaarneming. Als ik wilde slapen en tegelijkertijd de meetreeks wilde laten doorlopen, had ik geen keuze en moest ik de contactpunten gaan schoonmaken.

“Het waaide toen hard. De Barrière beefde door de klappen boven mijn hoofd; het klonk alsof de hele fysieke wereld zichzelf aan stukken aan het scheuren was. Ik kon het valluik nauwelijks openduwen. Op het moment dat het luik openschoot, werd ik ondergedompeld in een smorende wolk. Ik kroop naar buiten, het handvat van het luik vasthoudend tot ik zeker was van de richting. Toen liet ik het luik dichtvallen, want ik wilde niet dat de tunnel zich zou vullen met stuifsneeuw. Zien was onmogelijk. Miljoenen kleine kogeltjes explodeerden in mijn ogen, prikkend als een schot hagel. Het was zelfs moeilijk om te ademen, omdat sneeuw voortdurend mijn mond en neusgaten verstopte. Ik legde de weg naar de paal van de windmeter op handen en voeten af, bang als ik was om omvergeblazen te worden als ik rechtop zou gaan staan; één verkeerde stap en ik zou voor altijd verloren zijn.

Byrd in Advance Base.

“Ik vond de paal wel degelijk, maar pas toen ik met mijn hoofd tegen een klamp was gestoten. Het lukte me ook nog hem te beklimmen, ondanks dat tien miljoen spoken aan me trokken en hun duimen in mijn ogen drukten. Maar het was een zinloze exercitie. Zulke dikke stuifsneeuw zou de contactpunten weer verstoppen zodra ze waren schoongemaakt; bovendien draaien de halve bollen zo snel rond dat er een goede kans was dat ik een vinger of twee zou kwijtraken in het proces. Toen ik omlaag klom, had ik het gevoel dat ik met geweld door de lucht werd geslingerd, zonder controle over mijn bewegingen. Het valluik was volledig begraven toen ik het weer vond, nadat ik een tijdje met mijn wanten had rond geschraapt. Ik trok aan de handgreep, eerst met één hand, toen met twee. Er zat geen beweging in. Hij klemde altijd een beetje, mompelde ik tegen mezelf. De stuifsneeuw had waarschijnlijk de hoeken vastgeklemd. Ik ging met mijn benen aan beide zijden van het luik staan, zette mezelf schrap en trok uit alle macht. Ik had evengoed aan de Barrière zelf kunnen trekken.

“Ik moet toegeven dat ik toen door paniek werd overvallen. Alle redelijkheid verdween. Ik klauwde als een gek naar de vierkante meter timmerhout. Ik beukte erop met mijn vuisten, probeerde zo de sneeuw los te schudden; en toen dat niet hielp, ging ik op mijn buik liggen en trok ik tot mijn handen verzwakt raakten van kou en vermoeidheid. Toen boog ik mijn elleboog, legde mijn gezicht erin en zei keer op keer: idioot, idioot! Wekenlang al was ik bezig geweest het gevaar te bedwingen dat ik binnen opgesloten zou raken; in plaats daarvan was ik nu buitengesloten; en dat was het ergst denkbare, zeker omdat ik alleen een wollen parka en broek onder mijn winddichte kleding aan had. Driekwart meter onder mij was een toevluchtsoord – warmte, voedsel, gereedschap, alle middelen om te overleven. Al deze zaken waren op een armlengte van me vandaan, maar ik had niet de macht om ze te bereiken.

“Een nachtelijke Antarctische sneeuwstorm heeft een buitengewoon gevoelloze kant. Zijn wraakzucht kan niet worden gemeten op het vel papier van een windmeter. Het is niet alleen wind; het is een solide sneeuwmuur die beweegt met stormkracht en beukt als de branding. De hele kwaadaardige stormloop is op jou gericht alsof je een persoonlijke vijand bent. In de redeloze geluidsexplosie word je gereduceerd tot iets kruipends aan de rand van een desintegrerende wereld; je kunt niet zien, je longen snakken naar de lucht die eruit wordt geperst en je hersenen worden door elkaar geschud. Niets kan een mens zo snel isoleren.

De basis Little America in 1930.

Halfbevroren graaide ik naar een van de luchtkanalen, een meter of wat verderop. Mijn wanten raakten iets ronds en kouds. Ik greep het vast met mijn handen en trok mijzelf omhoog. Dit was het ontluchtingskanaal. Ik weet niet goed waarom, maar mijn instinct liet me knielen en mijn gezicht tegen de opening drukken. Er was niets te zien van de kamer, maar een zwak licht bescheen de vloer en er steeg warmte op naar mijn gezicht. Dat kalmeerde me.

“Ik bleef knielen en draaide me met mijn rug naar de storm en bedacht wat ik kon doen. Ik dacht over het breken van de ramen in het dak, maar die zaten onder driekwart meter sneeuw met harde korst en waren bovendien met gaas versterkt. Als ik maar iets had om te graven, dan kon ik de korst breken en de ramen intrappen met mijn voeten. De luchtpijp in mijn handen gaf me inspiratie: misschien kon ik daarmee graven. Ook de pijp zat stevig vast; ik trok totdat mijn armen zeer deden, zonder dat de pijp boog; ik was alle gevoel van tijd kwijt en de wanhopige gedachte kwam in me op dat ik verloren was in een eindeloze taak. Toen herinnerde ik me de schep. Een week geleden, na de vorige zwakke storm, had ik de afgezette stuifsneeuw geëgaliseerd en de schep ergens in de sneeuw gestoken aan de lijzijde. Die schep zou me redden. Maar hoe kon ik hem vinden in de lawine van de sneeuwstorm?

Officiële kaart van de expeditie.

“Ik ging liggen en strekte me helemaal uit. Ik bleef me vasthouden aan de pijp en maaide met mijn voeten rond, maar vond alleen leegte. Toen baande ik me weer een weg naar het luik. De harde randen bij de opening boden me grip en weer strekte ik me uit en schopte. Weer geen geluk. Ik durfde niet los te laten totdat ik iets anders bekends had gevonden om vast te grijpen. Mijn voet kwam tegen het andere luchtkanaal. Ik ging daarheen en vanaf dit ankerpunt herhaalde ik de procedure. Toen raakte mijn enkel iets hards. Toen ik het voelde en het handvat herkende, wilde ik het omhelzen. Ik greep het gezegende gereedschap en werkte me terug naar het valluik. Het handvat van de sneeuwschep was net klein genoeg om onder de houten brug van de handgreep door te kunnen. Ik greep de schep met twee handen en probeerde het luik open te wrikken; ik had alleen de kracht niet. Ik ging plat op mijn buik liggen en werkte mijn schouder onder de schep. Toen ik me oprichtte, sprong de deur open en rolde ik de schacht in. Toen ik het licht en de warmte van mijn kamer intuimelde, bleef ik maar denken: wat geweldig, wat fantastisch.”

2 reacties op ‘Alone

  1. Goedendag,

    bedankt voor het mooie kerstverhaal!

    In de zin “Tegen de tijd dat ik weer beneden was, was mijn winddichte kleding ingepakt met stuifsneeuw.” lijkt mij iets aan de hand met het woord “ingepakt”.

    Moet dat niet “volgepakt” (packed) zijn? Ik heb de originele tekst niet maar dat moet de situatie zijn die hij beschrijft: een plaat sneeuw ònder je jas na een klus rond de tent.

    met vriendelijke groet, Thomas van Nieuwenhoven

    ________________________________

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s